9.
De avond begint stilaan te vallen wanneer Maarten en Lena in zijn wrak op wielen het landelijke Lede bereiken. Voor zover hij kan nagaan, wordt hij niet gevolgd door twee gemotoriseerde anabole steroïde types. Lena gidst hem naar het station, waar hij zijn schroothoop kan achterlaten op de parking.
Ze stappen uit en Lena wijst naar een muur aan de andere kant van het plein: 'De omheining van het park van Mesen.’ Lena stevent af op een roestig hek in de muur, een lichte duw en het hek zwaait piepend open. ‘Het is een park van algemeen nut. De toegang is vrij. Volg me maar.’
Ze kiest een pad dat links langs een vijver loopt. Het druilregent, zijn adem vormt wolkjes in de kille avondlucht. Ze stappen een paar minuten stug door. Dan doemen voor hen in de schemering de vage contouren van een toegangspoort op, met daarachter de ruïnes van het kasteel. De prikkeldraad die de grens van het domein aangeeft, is op verscheidene plaatsen doorgeknipt en daarna weer gerepareerd. Lena tilt het hekwerk links naast de poort op en nodigt Maarten uit er doorheen te kruipen.
Ze opent een vogelkastje, opgehangen in een boom, en neemt er een zaklamp uit. ‘Toen ik hier voor het eerst kwam, leek de plek compleet doods en verlaten,’ zegt ze. ‘Maar vergis je niet, het kasteel wordt nog steeds bewoond, en het wordt bewaakt ook, door een gemene gorilla met een pitbull aan de lijn. Volgens de Ledenaren doet hij om de twee uur zijn ronde. Maar dat is een tikje overdreven, geloof ik.’
Om zich beter tegen aanvallen van de Noormannen te kunnen beschermen, werden ook in Lede her en der cirkelvormige versterkingen opgeworpen. Deze ‘mottes’ hadden doorgaans een houten woonhuis op de top van een heuvel en aan de voet een hoeve. Vanwege het brandgevaar en om redenen van status werd het houten huis later vervangen door een stenen woontoren of ‘donjon’, waaraan al gauw verscheidene bijgebouwen verrezen.
Het kasteel van Mesen was ooit een motte geweest. Het werd van oudsher bewoond door de invloedrijke Gentse familie Bette, die de heerlijkheid van Lede had verworven dank zij een huwelijk met de enige dochter van een plaatselijke heer. Een goed geplande huwelijkspolitiek en dito militaire carrière in dienst van de Spaanse kroon deden de heren van Lede gestaag klimmen op de adellijke ladder. Onderaan gestart als jonkheer, eindigden ze als markies op één van de hoogste sporten.
Het oude kasteel van de familie Bette was een rechthoekig gebouw met vier torens, gaanderijen en een borstwering, omgeven door water en hoge bomen. Het werd tijdens de godsdiensttroebelen door de Geuzen vernield, maar op het eind van de zestiende eeuw liet Jan Bette het heropbouwen. Na het overlijden van de laatste Bette kwam de heerlijkheid in het bezit van de baron van Joigny de Pamele, die Heer van Lede bleef tot de afschaffing van de heerlijkheden door de Franse republiek. Latere eigenaars gebruikten het kasteel onder meer als jeneverstokerij, suiker- en potasfabriek, klooster en kostschool.
In 1897 kochten de kanunnikessen van de Heilige Augustinus het domein. Zij bouwden in 1905 de neogotische schoolvleugels en de kapel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog liep het kasteel te veel schade op om er nog les te geven en verkochten de zusters hun eigendom aan het Koninklijk Gesticht van Mesen, waarna zij de Hollanders gingen onderwijzen. Het Gesticht – beter bekend als het Institut Royal de Messines – werd al in 1752 opgericht door keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk. Het had zich tot doel gesteld kinderen van gesneuvelde of invalide officieren op te voeden. De oorspronkelijke gebouwen van het Gesticht waren eveneens door de oorlog vernield.
Aanvankelijk liet men in het ‘Chateau de Messines’ uitsluitend kinderen van hogere militairen toe, maar vanaf 1944 werden er ook kinderen van burgers opgevangen. In 1952 werd het wettelijk onmogelijk nog een erkend diploma af te leveren aan de kinderen die franstalig onderwijs genoten in het Vlaams landsgedeelte, en in de jaren zestig bleek een kostschool voor dochters van gesneuvelde officieren door het dalend aantal inschrijvingen financieel niet langer leefbaar te zijn. In 1969 werd de onderwijsinrichting dan ook ontbonden. De roerende en onroerende goederen moesten verkocht worden; de opbrengst mocht uitsluitend aangewend worden ten behoeve van door de stichteres keizerin Maria-Theresia bedoelde begunstigden. Sindsdien stond het kasteel onder de voogdij van de Minister van Landsverdediging en was het ten prooi gevallen aan weer en wind, ongedierte en vandalen. De kosten voor restauratie en renovatie met het oog op welke exploitatie dan ook waren ‘onevenredig hoog geworden’ en de enige plannen die nog gemaakt werden in verband met het kasteel betroffen de sloop ervan, die was voorzien voor 2006.
En dat was zonde.
Maarten is op slag verliefd op de romantische puinen van het kasteel van Mesen. En hij is verliefd geworden op haar merkwaardige bewoonster. En de puinen hebben hem geïnspireerd tot gevoelens die hij al sinds zijn jongensjaren niet meer heeft ervaren en tot het soort overspannen lyriek waaraan hij zich toen al eens pleegde over te leveren.
Een lange gang leidt naar de ingang van de kapel. Het Huis van God is beroofd van een groot deel van zijn dak, altaar, orgel en haast alle meubilair – op een paar kapotte kerkstoelen na die bedekt zijn door een dikke laag duivenstront. Het licht in de kapel bezit een mystiek karakter. Dat heeft het te danken aan de delicaat gekleurde glasramen die alle stormen van de afgelopen decennia ongebroken hebben doorstaan. Een ongelovige zou zich nog afvragen of er dan toch een God over ons waakt.
Maarten hoort in zijn verbeelding een priester prediken en gregorianen hun sonore gezangen zingen. Misschien zingen zij ter ere van de heer Gustave Vison, die een graf heeft gekregen onder de kapel; de deksteen is verweerd en de inscriptie nauwelijks leesbaar:
ici est mort
gustave vison
se rendant
a.n.d
de marceille
le 2 mai 1897
priez pour lui.
Was de heer Vison een wilde weldoener van de kanunnikessen van de Heilige Augustinus die in 1897 het domein kochten? Keerde hij in dat jaar terug uit Marseille en viel hij prompt dood in de kapel nadat hij de kanunnikessen zijn centen had overgemaakt? Wilden zij hem daarom eren met deze gedenksteen? Wie zou het zeggen?
Op de steen van Vison treft Maarten het karkas van een grotendeels gemummificeerde duif aan – een trieste verzameling verdroogd vel, pluimen en botten. Een kwajongen, een godslasteraar, een sinistere sadistische seriemoordenaar heeft ze op de restanten van een houten kruisbeeld genageld. De Heiland zelf ligt in duizend gipsen brokstukjes verstrooid over de vieze vloer.
In een scène van de film die hij nooit zal draaien, staat Maarten buiten de kapel naar het zware smeedijzeren kruis op het dak te staren. Plotseling stort dit kruis zich van het dak naar beneden en in slow motion – want zo dient de scène gefilmd – boort het zich recht in de gemillimeterde vierkante kop van een gemene gorilla met een pitbull aan de lijn. Op zijn knieën gezonken, schreeuwend, steekt de gorilla nog in een afwerend gebaar de beide armen omhoog. Het mag niet baten. Zijn schedel wordt in twee gelijke delen gespleten terwijl zijn pitbull gromt, blaft en jankt dat hemel en aarde erbij vergaan.
Urenlang zitten Maarten en Lena in een smalle gang van de vroegere school, terwijl ze hem haar ongelooflijke verhaal vertelde, hoofdstuk na hoofdstuk na hoofdstuk, en hij alles keurig opneemt met het dictafoontje dat hij speciaal voor dat doel heeft meegebracht. Nu en dan tast een lichtbundel aarzelend een wand af, bezaaid met schitterende schimmelpartijen in fantastische vormen en kleuren. Af en toe volgt dezelfde lichtbundel de delicate lijnen van haar lichaam en dan glimlacht ze – weemoedig, beetje verlegen – en slaagt de ogen neer.
Maarten zakt op verscheidene plaatsen door de volkomen vermolmde houten vloeren van de slaapzalen, van de sanitaire ruimtes, van de keuken, van de klaslokalen. Hij verzinkt er in contemplatie voor de mysterieuze graffiti die hij er her en der aantreft. Soms is de boodschap gewoon met krijt op een schoolbord geschreven:
Terribilis est locus iste
Consummatum est
In Umbra Turris
Just Have a Vision!
Hier woont Magdalena Christiaenssens dan, geïsoleerd van de immer gestresseerde buitenwereld, in een oase van rust en stilte die alleen sporadisch wordt verstoord door het ruisen van de wind in de kruinen van de bomen, het kraken van houten treden en dakgewrichten, het ritselen van ratten en muizen, het eenzame janken van een wilde kat dat zo goed lijkt op het huilen van een baby, vogelgezang, het ritmische rikketikken van de regen. Binnen in het kasteel is op een geheel natuurlijke wijze een waar park van bijzonder nut tot stand gekomen, een Tuin van Eden met bomen, bloemen en kniehoog gras, bedauwd in de ochtend en in de lente bezaaid met boterbloemen – het verloren gegane Paradijs, dat op een wonderbaarlijke wijze is teruggevonden. De natuur verovert langzaam maar zeker de heerschappij over dit heerlijke sprookjeskasteel: zwammen eten wanden en vloeren op, iedere windstoot blaast weer een ander stuk van weer een ander dak, het onkruid zaait zichzelf door de gebroken ramen.
Gedurende de afgelopen decennia is het kasteel een steeds gevaarlijker plek geworden om te wonen, en toch woont Lena hier. Plafonds komen naar beneden, trappen bezwijken onder hun eigen soortelijk gewicht – iedere stap die je zet, kan de laatste zijn. En precies die onvoorspelbaarheid, het met de minuut toenemend gevaar dat loert achter iedere hoek, verleent deze woestenij een wrede schoonheid en de nobele, bijna religieuze sereniteit van de wildernis.
De kelders onder het hoofdgebouw zijn ongetwijfeld het best bewaarde deel van het kasteel. Hier is het dat Lena haar intrek heeft genomen. Overdag zit ze daar in het licht dat door de nauwe keldergaten valt, ’s avonds in het schamel schijnsel van een peertje. De vroegere bewoners van het kasteel – nonnen en jeneverstokers, onderwijzers en suikerfabrikanten – hebben er wasmachines achtergelaten, ovens, kruiwagens, allerlei rommel, afval, merkwaardig gereedschap en instrumenten waarvan het niet meer te achterhalen valt hoe je ze moet hanteren of waartoe ze hebben gediend. Zowat veertig jaar geleden heeft iemand kleren aan een waslijn te drogen gehangen en die vervolgens glad vergeten.
‘Soms lijkt het alsof je maar je hand hoeft uit te steken om contact te maken met de vroegere bewoners,’ zegt Lena. ‘Of met hun geesten. Ben jij paranormaal begaafd, Maarten?’
‘Niet dat ik weet. En jij?’
‘Ik heb van die dromen… Sommige mensen zouden het visioenen noemen. Ik zie soms dingen… die nog moeten gebeuren. En ik hoor wel eens stemmen. Ik denk dat het te maken heeft met mijn pijnappelklier. Ze hebben mijn hypofyse losgemaakt en nu heb ik het tweede gezicht. Er is een ingreep gebeurd en... Ik heb een schedelboring gehad. Hier…’ Ze tikt tegen haar achterhoofd. ‘Maar daar wil ik het nu niet over hebben. Kom verder, Maarten.’
Een kleine deur in een extra donkere hoek van de kelderruimte leidt naar een pikdonkere kamer. De deur wordt overdag zo goed als volledig aan het oog onttrokken door een grote boiler van de centrale verwarming, ooit geleverd door de gebroeders Puimège uit Zaffelare, Dorp 22. Zo staat het in lelijke hanenpoten op het toestel gekalkt.
Lena knipt het licht in haar kelderkamer aan. ‘Wees welkom in mijn onderwereld!’
Ze maakt een uitnodigend gebaar naar het smerig luchtmatras op de grond, de rugzak waarin ze blijkbaar haar hele hebben en houden bewaart, het gasvuurtje, een voorhistorische nachtemmer die ze wellicht ergens in het kasteel heeft gevonden, wat bij elkaar geharkt keukengerei, een stuk of wat flessen water en melk, een stapel conserven, een brooddoos en een paar boeken die netjes in het gelid tegen de wand zijn gezet.





